Mediterraan draaigatje Tapinoma nigerrimum-complex

Mediterrane draaigatjes bestaan uit een complex van vier soorten die nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn, vandaar dat hier de naam van de soortengroep wordt gebruikt: Tapinoma nigerrimum-complex. Voor het gemak hebben we het hieronder wel steeds over ‘de’ soort en ‘het’ mediterraan draaigatje, ook omdat de gedragingen van de verschillende soorten vrijwel geheel overeenstemmen.  

Herkenning

Het mediterraan draaigatje is een zwarte, glanzende mier waarvan de werksters tussen de 2,4 tot 5,1 mm groot zijn. De flinke variatie in lichaamsgrootte is een kenmerk om de soort bijvoorbeeld van de wegmier Lasius niger te kunnen onderscheiden. In het veld kunnen de draaigatjes ook nog herkend worden aan het feit dat de er straten zijn van werksters die allemaal dezelfde route lopen en de typisch kratervormige nestopeningen (alleen na een periode van rustig en mooi weer, maar let op voor de kleinere ‘kratertjes’ van de zwarte zaadmier, Tetramorium caespitum). Mediterrane draaigatjes maken clusternesten, hetgeen betekent dat elke ruimte rondom de kolonie gebruikt kan worden als nest. In het voortplantingsseizoen zijn de mieren en hun broed dan ook vaak aanwezig op allerlei door de zon beschenen plekjes zoals in muurtjes en bijvoorbeeld ook direct onder op de stoep liggend afval.

 

Om mediterrane draaigatjes sluitend te determineren, en andere (exotische) soorten uit te sluiten, is detailonderzoek nodig met een sterke loep of liefst met een stereomicroscoop. Het mediterrane draaigatje heeft tussen het borststuk en achterlijf één knoop, die klein is en van boven niet te zien is omdat het achterlijf er overheen is gebogen (een kenmerk van alle mieren binnen de in Nederland weinig voorkomende subfamilie geurmieren, Dolichoderinae). De soort is vervolgens op naam te brengen door de bovenlip (clypeus) te bekijken: deze heeft een flinke inkeping. Er zijn ook inheemse Tapinoma-soorten met een dergelijke inkeping, maar deze leven alleen in natuurgebieden.

Checklist herkenning mediterraan draaigatje

  • In stedelijke gebied (voorlopig althans)
  • Kleine zwarte mieren met flinke variatie in lichaamslengte: 2,4 tot 5,1 mm
  • Werksters lopen in straten > Het opgeworpen zand rondom nestopeningen is (bij rustig, mooi weer) kratervormig
  • Knoop tussen borststuk en achterlijf nauwelijks te zien
  • Flinke inkeping in de bovenlip  

Ontwikkeling

Een kolonie van het mediterraan draaigatje bestaat uit zeer veel eileggende koninginnen die allemaal familie van elkaar zijn (dit wordt ‘polygynie’ genoemd). De nieuwe koninginnen vliegen namelijk niet weg om een eigen nest te beginnen, maar na de bevruchting kruipen ze weer terug in het moedernest. De werksters van alle koninginnen werken met elkaar samen en zo ontstaat een uitgebreide superkolonie (dit wordt ‘unikolonialiteit’ genoemd). De werksters zijn het talrijkst in de kolonie en ook het meest te zien. Zij vergaren voedsel, zoeken nieuwe nestplekjes en verplaatsen het broed naar warme en veilige plekken. In de zomermaanden is de kolonie op z’n grootst en zijn er aan de flanken ook satellietnesten te zien, die waarschijnlijk alleen door werksters gebruikt worden om zo dichter bij nieuwe voedselbronnen te komen.

In het voorjaar worden poppen van geslachtsdieren (nieuwe koninginnen en mannetjes) naar de oppervlakte van het nest gebracht, waar ze sneller ontwikkelen door de warmte van de zon. Na ongeveer een maand verpoppen de eerste, waarna er een maand lang gevleugelde geslachtsdieren bij de kolonie zijn, tot aan het begin van de zomer. De geslachtsdieren zijn vooral ’s ochtends te zien en af en toe kan er een mannetje wegvliegen, in de hoop een koningin van andere kolonie te bevruchten.  

Leefwijze

Het mediterraan draaigatje is in ons land terecht gekomen met grond van tuin- of potplanten. Het is een warmteminnende soort uit Zuid-Europa. In Nederland kan het draaigatje waarschijnlijk alleen overleven op de warmste plekjes. Het gaat dan tot nu toe om trottoirs, muren, en tuinen met weinig planten die op het zuiden staan en zo flink opwarmen door de zon. De nesten bevinden zich in de grond, in tuinmuurtjes en waarschijnlijk op sommige plekken ook deels in de spouw of binnenshuis.

Literatuur

Noordijk, J. 2019. Nieuws over invasieve draaigatjes, inclusief literatuurmelding van een nieuwe Nederlandse soort: Iberisch draaigatje Tapinoma ibericum. - Forum Formicidarum 20 (2): 12-17.

Noordijk, J. & A. Möller 2019. Invoer en verspreiding van het mediterraan draaigatje. - Natuurbericht.

Noordijk, J. & M. Brooks 2019. Invasieve mediterrane draaigatjes blijven zich uitbreiden. - Natuurbericht.

Noordijk, J., L. van Boesschoten, F. Blanckaert & M. Brooks 2017. Het mediterraan draaigatje nu al invasief én overlastgevend. - Natuurbericht. 

Van Boesschoten, L., F. Blanckaert & J. Noordijk J 2017. Het mediterraan draaigatje, invasief en overlastgevend. - Dierplagen Informatie 2017-3: 4-6.  

Noordijk, J. 2016. Mediterraan draaigatje vestigt zich in Wageningen. - Natuurbericht.  

Noordijk, J. 2016. Het mediterraan draaigatje, een nieuwe invasieve mier in ons land. - Dierplagen Informatie 2016-2: 10-12.

Noordijk, J. 2016. Leefwijze van Tapinoma nigerrimum (Hymenoptera: Formicidae), een nieuwe exotische mier in Nederland. - Entomologische Berichten 76: 86-93.